Bescherm de machtelozen, maar zonder militairen
Bescherm de machtelozen, maar zonder militairen
Op-Ed / Global

Bescherm de machtelozen, maar zonder militairen

In 2005 onderschreven de VN unaniem het beginsel van de ‘verantwoordelijkheid tot bescherming’. Gareth Evans was een van de grondleggers.

We maken onszelf misschien graag wijs dat we puur rationeel bezig zijn, maar de meeste mensen die zich op de een of andere manier inzetten voor de publieke zaak hebben ook een emotionele drijfveer.

Dat gaat zeker op voor mensen die gruwen van het cynisme en de onverschilligheid waarmee het grootste deel van de wereld sinds mensenheugenis op massale wreedheden heeft gereageerd, en die hopen dat dankzij het nieuwe beginsel van de ‘verantwoorde - lijkheid om te beschermen’ de soevereiniteit van de staat niet langer wordt misbruikt als een vrijbrief om te doden.

Bij velen komt die emotionele drijfveer voort uit onuitwisbare herinneringen aan de Holocaust. Bij anderen uit persoonlijk leed of nauwe betrokkenheid bij overlevenden uit Rwanda of Srebrenica. Bij veel gezagsdragers die ik ken, is het de gedachte dat ze in dit soort situaties meer, véél meer, hadden kunnen doen om een internationale reactie op gang te brengen. Bij mijzelf is die reis – in zowel emotioneel als intellectueel opzicht – zo’n veertig jaar geleden begonnen in Cambodja.

Ik ging als jonge Australiër voor het eerst naar Europa, om te studeren, en daar nam ik een half jaar de tijd voor. Met het vliegtuig en over land trok ik door een stuk of tien landen in Oost-Azië, en daarna nog een handjevol in het Midden-Oosten. In elk land zat ik uren of soms dagen op campussen en andere ontmoetingsplekken voor studenten, in derdeklastreincoupés en krakkemikkige plattelandsbussen. Zo maakte ik kennis met tientallen van de leukste en slimste mensen van mijn generatie.

Sindsdien ben ik nog vaak Indonesiërs, Singaporezen, Maleisiërs, Thai, Vietnamezen, Indiërs, Pakistanen en anderen tegengekomen die ik onderweg had leren kennen of die in dezelfde tijd op dezelfde plaats waren geweest en met wie ik een schat aan gemeenschappelijke ervaringen kon uitwisselen. Maar van alle Aziatische landen die ik had bezocht is er één, Cambodja, waaruit ik niemand van al die jongens en meisjes met wie ik was opgetrokken, en ook niemand uit hun kringen, ooit nog heb teruggezien.

De treurige reden daarvan is dat ze allemaal een paar jaar later moeten zijn omgekomen onder
het moorddadige, genocidale bewind van Pol Pot. Ofwel doordat ze als burgerlijke intellectuelen werden aangemerkt als staatsvijand en geëxecuteerd in de killingfields, ofwel doordat ze, met ruim een miljoen anderen, werden gedwongen om op het platteland te gaan werken en aan honger en ziekten bezweken.

Die pijnlijke herinnering is een belangrijke beweegreden geweest in de lange, slopende periode – eind jaren tachtig, begin jaren negentig – dat ik me als minister van Buitenlandse Zaken van Australië samen met mijn collega’s uit Zuidoost-Azië, China, de Verenigde Staten en van de VN heb ingespannen voor duurzame vrede in Cambodja. Ze liet me niet los toen ik midden en eind jaren negentig machteloos en van een afstand de tragische gebeurtenissen in Centraal- Afrika en op de Balkan volgde.

Uiteindelijk zette de herinnering me aan om met collega’s uit de hele wereld een principieel en praktisch kader te vinden waardoor de internationale gemeenschap niet meer verdeeld was, maar voortaan eendrachtig kon optreden om massale wreedheden te voorkomen en te bestrijden. Het resultaat daarvan was het beginsel van de responsibility to protect – R2P in deze tijd van afkortingen – dat op de Wereldtop van 2005 in het bijzijn van staatshoofden en regeringsleiders unaniem werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

De taal van de ‘verantwoorde - lijkheid om te beschermen’ vorm - de een breuk met de oude taal van het ‘recht tot interventie’. Het ging niet langer om het recht van grote, machtige landen de baas te spelen, maar om de verantwoordelijkheid van alle staten op te komen voor de machtelozen.

In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid om de bevolking van een land tegen massale wreedheden te beschermen bij de eigen regering, maar als die haar verantwoordelijkheid niet kan of wil nemen, is het de taak van andere leden van de internationale Amsterdamse  gemeenschap om preventief of zo nodig reactief op te treden.

Militaire interventie – het kernpunt in het eerdere debat over ‘het recht van humanitaire interventie’ – blijft in extreme gevallen een optie, maar alleen als laatste redmiddel en alleen met toestemming van de Veiligheidsraad van de VN.

Bij R2P gaat het over veel meer dan alleen dwang: het gaat over de verantwoordelijkheid om een crisis te voorkomen, om na een crisis voor wederopbouw te zorgen, en om tijdens een crisis in actie te komen – steeds zo mogelijk zonder militair ingrijpen.

In deze wereld van cynisme, van met twee maten meten, van keihard opkomen voor nationale belangen, van realpolitik in de hoogste kringen en politieke koehandel in lagere regionen, zou je makkelijk kunnen denken dat idealen er niet zo toe doen. Maar sommige doen er wel degelijk toe.

En al zullen er nog heel wat hindernissen moeten worden genomen voordat de nieuwe norm algemeen wordt aanvaard en toegepast, er zijn niet veel beginselen waaruit zoveel goeds kan voortkomen – niet alleen in theorie maar ook in de praktijk – als dat van de verantwoordelijkheid om te beschermen.
 

Gareth Evans, oud-minister van Buitenlandse Zaken van Australië (1988-1996), is hoofd van de International Crisis Group en auteur van The Reponsibity to Protect: Ending Mass Atrocity Crimes Once and for All, dat vorige maand verscheen bij Brookings Institution Press.
 

Subscribe to Crisis Group’s Email Updates

Receive the best source of conflict analysis right in your inbox.